Wizzewasjes

Niet te zot uit ons kot

Categorie: Zalige zaken, zever & zorgen (Page 2 of 837)

Het rotstuintje

Door luiheid gedreven en verplichte ophokken, deden we dit jaar niet aan jaarlingen. Wat stond mocht zijn gang gaan. Enkel een paar kruiden heb ik in hangbakken geplant zodat ik er af en toe mijn neus eens kan doorhalen en me op vakantie wanen.

Toch zijn er soms verrassingen.

Zo was er het lichte gevoel van onbehagen toen ik zag dat de vogeltjes de helft van ons rotstuintje hadden omgespit en vroeg aan Luc wat hem had bezield om het voederhuis er zo goed als boven te hangen.

De uitleg was logisch, de reden griezelig. We zouden er een andere oplossing moeten voor vinden. Let vooral op het woord “zouden” en je weet al hoe laat het hier ten huize is.

Maar … Zo stond ik een paar dagen terug naar buiten te kijken en viel me àl dat wit op in de goeie helft van het rotstuintje. “Wat is dat met de Edelweissjes? riep ik uit.

Het de niet de Edelweiss die overdadig bloemt, het is één van de andere … ik ken de naam niet meer, die hun identiteitskaart zit er niet meer bij.

De Dodentocht

Luc vond een oproep voor de “100km Covid Challenge powered by Dodentocht1“, aangezien de echte niet kan doorgaan door corona.

Het opzet is dat je 100km wandelt, dat hoeft niet in één dag, je hebt er zelfs vier weken voor en je kon die 100km -of meer- afstappen in meerdere kortere etappes.

Wij waren geïnteresseerd, niet enkel en alleen in de wandelingen en het doel er achter. Maar Luc houdt wel van wat speciale T-shirts en we zouden er elk een kopen.

De virtuele beloning? Ach ja, dat zou ik wel op het blog zetten zeker.

Bij de inschrijving liep het fout. Luc kon geen T-shirt bestellen. Je kon kiezen tussen S – M – L. Daar past Luc niet in. Luc opperde dat we zouden inschrijven en ik moest dan maar een T-shirt bestellen. Maar ik? Ik ben niet dat soort T-shirt gezind. Dat is hij. Ik ben enkel maar solidair.

Nu komt een ander voorval:

Een jaar of 2-3 terug werd er iets georganiseerd en wij wilden daar naartoe. Het was tijdsgebonden en we moesten een kostuum aan.

Luc werd ingeschreven maar ik werd niet aangenomen. Dat ging niet, ze hadden mijn maat niet. Luc weigerde.

Op de dag vóórdien kregen we -beiden- de dringende bede om astemblief toch te komen. Er waren mensen te weinig.

Domoren die we zijn waren, gingen. Maar ik mocht niet naast Luc zitten maar wel ergens achteraan. Luc moest soi-disant koppel vormen met een vrouw met een hoge purperen pluim op haar hoed. En dat was nog niet alles.

Mijn eigenwaarde heeft die dag een serieuze tik gekregen en die was al niet veel soeps na wat we de laatste dagen bij de evenementen hadden meegemaakt.

Wat dan nu met de Dodentocht? Ik een T-shirt bestellen terwijl ik niet de T-shirt liefhebber ben? Ik gooide de inschrijving dicht en zei tegen Luc dat ze het inschrijvingsgeld voor mijn part mochten halen bij hen die wél in hun T-shirts konden. Luc deed dat ook.

Iemand voor ons laten beslissen op basis van omvang, grootte, breedte of hoe we er al dan niet zouden moeten uitzien?

Zoals toen ook al gezegd: “Nooit meer!

1 Dodentocht

Gewapend met een deegrol

Ooit, lang geleden, kocht ik een deegrol. Een moderne, in die tijd dan toch, één van Tefal en met losse handvatten. En precies die handvatten gingen me dwarszitten. Het deeg kroop tussen de randen en ik maakte me er vies aan.

Maar toen kwamen al die jaren dat ik niet meer bakte en lag de deegrol in de keukenschuif.

Ooit, nog niet zo lang geleden, hield Luc opruimactie in de keuken en kwam met de deegrol binnen. “Wat met dit?” vroeg hij. “Containerpark” zei ik. Twee dagen nadat de deegrol daar beland was vond ik op internet krak dezelfde te koop staan, aangeprezen als “vintage uit de jaren ’70”. Had ik die nog op de rommelmarkt kunnen verkopen … tsss …

Nu begon ik terug te bakken en had geen deegrol meer. Het was behelpen. Het komische was wel dat je nergens nog een deegrol vond, wel in de dure kookwinkels natuurlijk, maar ik ben nu eenmaal geen chef en al helemaal niet rijk.

Nu met de winkels open keek ik in de Kringwinkel, voor noppes. Er waren er wel veel verkocht, vertelden ze me daar. Was iedereen soms uit verveling aan het bakken geslagen?

We repten ons naar Ik.e.a. om een braadslede en ineens keek ik ook voor een deegrol: één exemplaar, dat ik niet kreeg omdat het het toonzaalmodel was en iedereen er met zijn handen had aangezeten.

Donderdag waren we er terug. Luc wou een nieuwe pan, de oude was versleten. Wij lijken wel pasgetrouwd en met de uitzet bezig, maar er is wel meer dat aan vervanging toe is.

De deegrollen waren in stock, de pannen ook, dat hadden we thuis al op internet nagekeken. We namen ook nog een ijsschepje -lees twee- en een nieuwe kaasrasp mee.

We liepen tevreden door de gangen. Je moet wel -zo goed als- de hele winkel door om aan de kassa te geraken. En onderweg was er de zwalpende vrouw. Ze liep van de ene kant van de gang naar de andere om telkens iets anders te bekijken. Toen wij haar voorbijliepen hoestte ze in de richting van mijn gezicht. Was het anderhalve meter? Ik weet het niet.

Ik denk niet dat ze het bewust deed, ik denk ook niet dat het met opzet was. Het was eerder de beweging die iemand maakt om in zijn hand te kunnen hoesten maar het werd een mislukte poging.

Mijn groot plezier was naar de filistijnen en ik werd er echt wat ongemakkelijk van.

Ik wou het niet onmiddellijk posten, ik wou eerst de incubatietijd voorbij laten gaan. Maar achteraf gezien is dat ook belachelijk.

Momenteel ben ik weer helemaal blij met mijn deegrol en Luc met zijn pan.

Raadselachtig met kuren

Dan sta je, kalm en rustig, wat op je laptop te tokkelen als je plotsklaps tegen het plafond zit van het schrikken en geloof me, wij hebben een hoog plafond.

Dat had Luc ook nog gezegd toen hij het -in januari verplichte- brandalarm had opgehangen, brandalarm dat nu stond te schreeuwen en te gillen als een verwend jonk dat zijn zin niet kreeg.

Natuurlijk was er geen Luc te bekennen, gelukkig geen brand ook niet. Zelfs ontbrak er enig spoor van rookgeur of -hinder.

Ik riep het hele huis bij elkaar in de hoop enig teken van Luc waar te nemen, maar die hield zich abnormaal stil. Waar zat die nu toch? Wat was er gaande?

Rampscenario’s allerhande … tot hij gemoedelijk de trap komt afgewandeld en doodgemoedereerd vraagt: “Wat scheelt er?”

Ondertussen was dat ding gestopt met blèren en terwijl ik vertel gaat Luc daar onder staan en kijkt gewoon naar boven.

“Heb je dat niet gehoord?” vraag ik. Niet dus. “En die pillen zouden 10 jaar meegaan” zeg ik. Luc blijft dat toestelleke aangapen als verwacht hij elk ogenblik een nieuwe uitbraak.

Ik raad hem aan die batterij toch maar efkes te testen. De batterij doet het en het apparaat flikkert nog.

Ineens doet mijn reukorgaan rot. Ruik ik nu toch iets …

Voor alle veiligheid heb ik het venster open gezet, al stond de verwarming af en kunnen de uitlaatgassen van koffie -voor zover ik weet- nog geen CO2 vergiftiging veroorzaken.

De knoop

Hoe ziet het er uit als je één van je vroegere bloezen uit de kast haalt, bij gebrek aan nieuwe? Als een tent.

Hoe ziet het er uit als je er achteraan een knoop in legt? Als het -woehoe- bloesje van de yoga lerares, commercial die ze ons momenteel tegen wil en dank door onze strot duwen.

Het bevalt me wel. Het -eventuele- staartje achteraan zie ik toch niet.

Altijd hetzelfde

Ik heb het al meer gezegd, telkens we de routine van het zwemmen weer krijgen, komt er iets tussen. Daarna kan je weer opnieuw beginnen opbouwen.

Het was weer zover.

Met wandelen gaat het al net zo. Zijn we weer goed bezig, worden er stokken in de wielen gestoken.

Het word namelijk weer zo verschrikkelijk warm en in hitte gaan we niet wandelen. Ik zie me Luc al naar huis moeten dragen. Die kan daar echt niet tegen. Dus gaan we zo vroeg mogelijk om voor de grote warmte terug in de beschutting van ons kot te zitten. Ooit stonden we er zelfs wel eens vroeger voor op, dat doen we niet meer.

Nu moeten we toch uitgerekend én vandaag én morgen voormiddag ergens zijn.

Wandelpauze!

De jeukende kus

Sta ik voor de spiegel, bekijk mijn gezicht en denk: “Heb ik nu een dikke kaak?”

Ik bekijk het van wat dichterbij. Ja dus, zo wat als het hangwangetje van een hamster. Ik wrijf er over -hoe dom- het voelt wat hard aan, maar door de aanraking begint het te jeuken … en het blijft jeuken.

Ben ik op wandel toch weer door een steekbeest gekust zeker.

En dat ondanks coronaverbod.

De prijzen en de pan

Ben ik ergens echt zo compleet achterop geraakt dat ik geen idee meer heb hoe duur alles geworden is? Blijkbaar wel dus.

Wandelkaarten via internet zijn haast niet meer te vinden. Wandelkaarten kopen kan je wel maar dan moet je wel even via de toeristische dienst van betreffende gemeente passeren en die zijn, met deze dagen, niet zo open als wij zouden willen.

Gelukkig zijn er de wandelknooppunten. We stellen dan zelf de wandeling samen. Dan maken we ze zo groen en zo lang als we zelf willen.

Maar soms zijn die er niet, staat er wel een GPX kaart om te downloaden, maar daar moet je dan weer de juiste voorziening voor hebben.

We hadden het al een paar keer overwogen maar het toch maar naast ons neergelegd. Die dingen zijn wat duur om te kopen met een pensioen. Anders gezegd: voor dat geld kopen wij liever wat anders van ons pensioen.

We hadden weer prijs. Een wandeling die we wilden doen met pijlen volgen liep in het honderd bij afwezigheid van bewuste pijlen.

Ik zocht een app, dan konden we die wandelingen downloaden via de telefoon.

Luc ging nog maar eens op zoek naar zo’n gps-lezer. De goedkoopste kostte 100€. Zouden we of zouden we niet? Hij overwoog het. Ik liet hem. Als Luc iets op zijn verlanglijstje heeft staan, wordt dat wel in overweging genomen.

Maar -raar maar waar- er waren maar enkele exemplaren van te vinden, zodat ik denk dat het zo goedkoop was omdat het toestel de markt af gaat.

De volgende ochtend zei Luc: “Laat ons toch maar liever die app uitproberen”. Dat deden we. Gisteren.

Ze raden wandelen aan. “Wandelen is gezond” zeggen ze. “Wandelen is ook sporten” zeggen ze. Maar ergens zitten ze toch met een knoop in hun maag omdat ze buiten deftige wandelschoenen niet zo veel aan wandelaars verdienen.

Dat is tenminste wat ik er van denk.

Plaats houden

Vraag me niet om plaats te houden. Ik doe het niet meer.

De hoeveelste keer zeg ik dat nu niet. En telkens loop ik er weer in.

Ik was de plaatshouder. Ooit op mijn vijftiende was ik zo blij als een vijftienjarige maar kan zijn als ze eens mee mag naar de Druivenfeesten. Het was al bizar want normaal vonden ze me daar thuis te jong voor.

Het begon al goed, ik mocht -lang voor tijd- al gaan plaats houden voor een hele tafel en dat mag je tellen waren toch een 20-tal stoelen.

Toen ze eindelijk aankwamen, ze gingen uit met de collega’s van mijn vader, dat zal zo rond 21u geweest zijn, stonden ze er op dat ik naar huis ging. Ik moest ‘s anderendaags vroeg op. De zanger van die avond zou om 23u optreden.

Later kwamen er nog zulke voorvallen, zij het minder flagrant. En telkens zwoor ik: “Ik houd geen plaats meer”. En telkens liet ik me vangen.

Anderhalf jaar geleden was het. We zaten ergens. Ik geraakte aan de praat met de vrouw naast mij. Wij giechelden, lachten en amuseerden ons te pletter. Dat zag ook de vrouw drie plaatsen verder. Na de pauze wisselde ze van plaats met haar man en giechelde, lachte mee. Die avond vroeg de vrouw om de volgende dag voor haar plaats te houden.

Dat deed ik, stomme kool zijnde, en kreeg prompt van de andere vrouw te horen: “Als die plaats voor E. is, is dat een plaats verloren, ik heb al plaats gehouden”. Kroon op het geheel, kers op de taart? E. ging naast de vrouw zitten en vertelde me hoe erg ze het vond dat ik er niet meer bij kon.

Werd ik giftig? Neen hoor. Ik voelde me, nog maar eens, gebruikt. Maar in de toekomst zal ik wel zeggen dat ze maar op tijd moeten zijn als ze plaats willen. Maar dan wel iets vriendelijker ingekleed. Oh zo.

Gevonden voorwerpen

Soms vind je iets. En dan begint het. Wat doe je er mee?

Een handschoen? Makkelijk op te lossen. Je legt ze ergens in de buurt op een brievenbus of hangt ze over de draad.

Maar wat met een kinderautootje dat heel alleen ergens op een parking staat op een plaats waar het sowieso stukken vaneen zal gereden worden. Je vermoedt dat het boven op een auto heeft gestaan die zo vertrokken is. Het ding meenemen? We deden het. Maar telkens blijft het knagen uit compassie met het kindje dat het speeltje verloor.

Een drinkbus in de Schotse Highlands? Daar zie je er wel meer in een boom hangen. Maar als er geen bomen zijn? Meenemen en binnenbrengen bij de toeristische dienst?

Dat deden we met een pop. Wat deden zij? Ze keilden ze je weet wel waar en bekeken ons alsof we idioten waren. En dat terwijl je in de lokale krant wel kon lezen over het kindje dat met een pop was herenigd, maar die was dan niet op de toeristische dienst binnen gebracht maar gevonden door de Rangers.

Wat doe je als een goudkleurige oorsteker vindt? Ik kan dat niet laten liggen, al kan ik met één exemplaar niks aanvangen. Ze ligt nu in een doosje met losse vijsjes.

Iemand?

Page 2 of 837

Powered by WordPress & Theme by Anders Norén