Gisteren was mske er dus niet met haar gedachten bij. Zodoende kon het volgende ook nog voorvallen.

mske stapt naar het klein buroke, maar in plaats van, naar haar normale gewoonte, eens extra te voelen of de deur wel dicht is, gaat ze gewoon verder.

Ik heb dat rap in het snotje als die deur niet in de klink zit, zodoende … snel die deur open gemaakt met mijn poot en op het ogenblik dat Slow zag dat de deur openging ritste ik al snel de gang in.

Dat is niet erg natuurlijk als dat in de dag gebeurt, maar ‘s ochtends springt die verwarming hier aan en als ik in de gang zit, moet die deur op een kier blijven staan. En dat is niet erg logisch.

In elk geval kwam mske binnen en foeterde op … mske. Want de buitendeur was ook niet volledig dicht geweest en ze was bang dat ik buiten zou zijn. Dat is natuurlijk niet zo, ik ga niet buiten, maar ze was daar toch niet al te zeker van.

Dus kwam ze me zoeken, boven en wat ziet ze? Ze is niet alleen in het niet goed sluiten van deuren. Slow had zelfs de slaapkamerdeur laten open staan. Maar mske vond me toch maar niet. Er zijn redenen hoor, waarom je beter maatjes/maatjes kan zijn met Poesjkin.

mske klomperde de trappen af en foeterde nog wat harder, dat ze nu van ongerustigheid niet ging kunnen slapen.

Zij beiden naar boven, slaapkamerdeur dicht en bed in.

“Kijk” zei mske “als hij op de kamer zit … hij kan niet tegen gesloten deuren … dan komt hij uit”. Flauw van mske, heel flauw. Maar ja, ze heeft gelijk, ik kan daar niet tegen. En terwijl Slow en mske alletewee naar het plafond lagen te kijken, probeerde ik heel stillekes om met mijn poot die deur open te krijgen. Dat zei heel efkes “tek” en ik keek snel om en zag nog net dat mske Slow een duwke gaf. “Moet ik hem buitenlaten?” fluisterde Slow. “Neen” fluisterde mske terug “we gaan hem efkes een leske leren”. Ik probeerde nog eens en nog eens en nog eens en Slow was al geneigd om uit bed te stappen, maar mske hield hem tegen en fluisterde nog stiller: “Wacht tot hij begint te miauwen”.

Ze weet dan misschien niet goed, hoe goed ik kan horen, maar dat weet ze wel sé! Dat ik begin te miauwen als ik het zelf niet opgelost krijg. En dat heb ik dan maar gedaan. Ik moet zeggen dat Slow bij de eerste miauw al uit bed sprong en zei: “het is laat genoeg, dat hij ons de ganse nacht niet gaat wakker houden. En toen hij de deur open zette, zag hij dat hij ook het licht in de gang beneden vergeten had.

En zo kon het gebeuren dat Slow hier in het midden van de nacht in zijn negligé naar beneden stormde en ondertussen dan toch maar de deur van het buro op een kier zette, zodat ik kon komen eten en drinken.

En Poesjkin die lag op de palier te lachen, te lachen. Ik dacht dat hij er ging in blijven.