Voor een vrouw in Amsterdam, voor de doodgevrorenen en voor alle buitenslapers!
 
 

Loebeke
 
Ze liepen trouw hun eindje om tegen het einde van de dag
zelfs zonder zien kon je ze ruiken, lang voor je ze zag:
Loebeke en zijn hond, Loebekezenond.
 
Ze hadden niet te veel zo voor hun twee, maar toch, ze kwamen rond,
met eten dat, korrekt verdeeld, uit hondevoer bestond
voor Loebeke en zijn hond, Loebekezenond.
 
Als je gedag zei of wat vroeg antwoordden ze niet,
ze gromden maar wat voor zich uit zodat je ze maar liet:
Loebeke en zijn hond, Loebekezenond.
 
Ze werden op de lange duur bekend als slechte munt,
ik denk omdat het houden van luizen werd misgund
aan Loebeke en zijn hond, Loebekezenond.
 
De slager die erg netjes was deed op een kwade dag,
arsenicum in ‘t hondevoer, en dit omdat hij dacht:
hij draagt ziektekiemen rond, Loebekezenond.
 
Zo aten ze hun galgemaal, ze gingen samen dood,
ze stierven arm in arm, of liever, poot in poot;
och Heer geef toch Uw eeuwige rust, Uw eeuwig licht terstond
aan Loebeke en zijn hond, Loebekezenond.
 
[Jan De Wilde]