… ooit neusdoeken geheten, herdoopt in ‘neesdoeken’ toen we terug in de regio van mijn moeders dialect gingen wonen, zagen er uit als overschotjes zo groot. Sommigen kwamen van bij “La Vache Qui Rit” waarschijnlijk bij de kaas gekregen. Zelfs mijn kinderneuzeke had problemen om er zich in te verstoppen.
Later werden de meisjeszakdoeken een ietsje groter, liefst met bloemekes of met kantjes en liefst zo dun dat je ze eigenlijk niet meer kon gebruiken voor wat ze oorspronkelijk bedoeld waren. Misschien waren die dan ook wel bedoeld om je ogen te deppen als je deed alsof je huilde.
Toen de papieren zakdoeken, keukendoeken en al wat je maar wil in opmars waren, deed ik de zakdoeken weg en gebruikte die papieren -nu moet je ’tissues’ zeggen. Dat doe ik nog. Die gebruiken weliswaar, ’tissues’ zeg ik nooit.
Een poos geleden begon het. Ik ergerde me omdat ik maar weer eens geen zakdoek vond -pakske leeg of pakske meegepakt in de auto- en ik had geen zin om een ander te halen. Ik wou een zakdoek, een echte.
Sedertdien gebruik ik een grote manszakdoek hier thuis. Die zit, zoals zijn naam het zegt, in de zak van mijn thuiskledij. Ben ik weg, dan zitten er papieren zakdoekjes in mijn sjakosj. Ik vind dat altijd handig om bij te hebben, zelfs voor een toiletbezoek met ellendige blazers of andere gebreken.
Ik wou opnieuw vrouwenzakdoeken kopen, zonder nonsens, zonder kanten boordjes, waar je geen erwten kan doorschieten. Ik wou dus neusdoeken om het exact te beschrijven.
Ik zocht online, maar vind er niet echt mijn gading. Ik keek dan maar gewoon bij zakdoeken, het mogen mannenhanddoeken zijn, als ze maar niet op die van Luc gelijken, dit om logistieke strubbelingen te vermijden. Er zijn er wel, ze zien er zelfs goed uit. Alleen is het grote nadeel van ‘online’ wel degelijk dat je ze niet kan voelen.
Ik zal mijn fysieke ‘ik’ nog eens op pad moeten sturen, vrees ik. En dat voor wat? Een veilig gevoel in mijn zak?