Er was een tijd, nog niet zolang geleden, aangezien ik het nog meemaakte, dat je je kind niet eender hoe kon noemen. Neen, de regel gold dat je het kind naar een heilige vernoemde, helemaal of afgeleid, maar dat het wel een goeie christelijke naam moest zijn.
Ik heb dus ooit raar opgekeken toen ik de eerste keer de naam “Manon” hoorde. Ik was de leeftijd voorbij dat ik uitleg vroeg aan mijn moeder, de ervaring had me geleerd dat dat fout liep, maar toch kon ik me niet laten op te merken dat ik “Manon” wel een mooie naam vond. Waarop ze natuurlijk sneerde dat we bij ons Vlaamse namen gaven.
Met zekere verwondering lees ik nu over mensen die namen hebben die van ik weet niet waar komen en vraag me af wanneer die ommekeer zich eigenlijk heeft voorgedaan.
Ik ben er niet tegen. Ik weet nog wel dat mijn moeder ook steigerde toen de eerste “Merel” het licht zag, maar ik woonde toen -gelukkig maar- niet meer thuis, want ik vond het wél mooi. De opkomst van de naam “Wolf” vond ik dan wel mooi maar toch iets minder geslaagd.
En ik herinner me nog dat mijn vader zijn hoofd schudde toen iemand zijn zoon “Ingvar” ging noemen. “Hoe is het mogelijk?” vroeg hij zich af. En hij ging verder met: “Ons Ingvarken gaat morgen naar school” of zoiets onbenulligs. Met de naam Sven heeft hij dus geen problemen gehad al had mijn moeder daar ook weer bezwaren tegen.
Daarna kwam een resem hip aandoende voornamen die ik echt kitsch vond. En neen, ik ga ze niet noemen. Een kind heeft geen schuld aan de naam die het draagt.
Manon dus, waarvan de naam Maria een afgeleide is of andersom. Had ik het jaren geleden geweten -of opgezocht- zou ik zelfs overwogen hebben mijn naam te laten veranderen.
Nu niet meer, er lopen er al te veel mee rond.