Wizzewasjes

Het is niet omdat het mag … dat het moet!

Tag: Murphy (Page 1 of 5)

Volgens de app van het KMI …

Om niet steeds met dezelfde bezoekers te maken te krijgen op onze maandelijkse boekenmarkt, hadden we uitgekeken om eens een andere markt uit te proberen.

We waren in Mortsel -in Fort 4- en zijn ingeschreven voor de volgende editie. Die is dan wel binnen maar dat “binnen” betreft dan enkel het dak, de zijkanten zijn open. Maar dat deerde en deert ons niet.

Maar op aanraden van een andere standhouder hadden we ons ook elders ingeschreven, op tweede Paasdag en buiten. Sedertdien is het weerbericht op de app van het KMI zo wisselvallig als een ezel met kuren.

Gaf die app mooi weer bij het inschrijven is dat sedertdien ook elke dag veranderd. Stille Zaterdag voorzag hij regen op Tweede Paasdag. Op Pasen zelf, nog vóór de klokken thuis kwamen, beloofde hij schitterend weer op Paasmaandag. Nog op Pasen zelf, op de noen, zag ik op de app dat het de hele dag zou regenen op Paasmaandag.

Wat doe je daar nu mee, wetend dat natte boeken helemaal naar de Filistijnen zijn … Wel, wij wisten het ook niet.

En de zin om te gaan wisselde mee met het weerbericht. We zouden knopen moeten doorhakken.

Maar wat we ook zouden beslissen, het zou toch de verkeerde beslissing zijn. Laat dàt maar aan Murphy over. Als we wel zouden gaan zou het natuurlijk regenen. Als we thuis bleven zou het droog blijven. En hoe langer we wachtten, hoe moeilijker het werd.

We gingen niet … Hier regende het niet. Maar ginds? Volgens de app van het KMI ook niet meer … na 10u.

Stampede

Wel ja, ik zal het stampede-verhaal vertellen, mogelijk voor de tweede keer, maar het zij zo.

Dat we soms eens bij Zoon op de dieren gaan passen weet iedereen al, veronderstel ik. Dat gaat over een hond die Nitro heet, een kat die Murphy heet en sedert Zoons verhuizing, net voor covid ons in de greep kreeg, ook een paar paarden. Ze zijn met meer dan 2, ze zijn met minder dan 10.

Omdat het uitkuisen van de stallen toch een wat zware korvee is, komt er iemand om dat te doen tijdens de dagen dat wij daar zijn.

Paarden hebben een rangorde. De baas is het majestatische zwarte paard, de laagste in rang is het oude witte paard, waarover gisteren sprake en waarvan ik de nevelige foto van hierboven ook al als uitgelichte afbeelding gebruikte bij een ander log.

Ergens vorig jaar in de winterperiode, toen de paarden ook niet op de wei mochten, kwamen Luc en ik terug van een wandeling en zagen we dat het oude paard op de achterste wei stond.

We hadden er geen benul van hoe die daar kwam, maar na navragen bij Querida achteraf bleek dat paard een trukske te kennen om via een buikrol(?) over die afspanningslijnen te geraken.

Dus, ik wil die uit de wei, terug in de paddock, halen. Ik neem een lijn en stap via de voorste wei naar de achterste, waar dat paard staat.

Luc gaat niet mee. Luc komt nooit in de buurt van de paarden. Hij kijkt wel of alles goed gaat … van buiten de poort.

En dan gebeurt er van alles ineens, de tijdelijke hulp komt aan en begint naar het buikrollende paard te rennen.

Het zwarte paard raakt in alle staten en jaagt de overige paarden op. Ik bevind me op dat moment op ongeveer 1,5m van de afsluiting en -gezien de helling van het terrein- ongeveer een halve meter lager.

Dat wil zeggen dat die paarden net naast mij heen en weer galopperen, wat echt een spectaculair zicht was en ik sta in volle bewondering toe te kijken. Het majestatische paard galoppeert met een imposante statigheid om stil van te worden, gevolgd door … tja, haar gevolg.

Maar dan realiseer ik me dat de tijdelijke hulp meermaals haar naam roept en haar aanmaant tot kalmte en ik vrees dat dat haar nog meer opzweept en beslis het witte paard te laten waar het is. Ze zal haar avondmaal niet laten staan.

En ja, inderdaad, de paarden worden rustiger als we de wei uit lopen.

Ik kijk naar Luc en zie hem, doodsbleek en met verschrikte ogen, naar mij kijken. Hij zegt: “Weet jij wel hoe dichtbij die kwamen?” Euh neen, eigenlijk niet. Pas als hij dat zegt realiseer ik me dat.

Hij zegt: “Heb je jezelf al eens bekeken?” Euh neen, eigenlijk niet. Pas als hij dat zegt realiseer ik me dat ik van kop tot teen onder de modder zit.

Wat later sta ik fris gedoucht met propere kleren aan, naar buiten naar de paarden te kijken als Luc zegt: “Dat was gevaarlijk”.

Was het dat? Gevaarlijk? Ik weet het niet. Tot op heden vind ik die situatie van toen niet echt gevaarlijk, eerder een prachtig schouwspel en een avontuur om op terug te kijken.

Daarover zijn Luc en ik het nog altijd niet eens.

Krabben zijn zeedieren (de meeste toch)

Lucs zus had altijd al een kat, de katten wisselden, de namen ook.

Ten tijde van Flipke, een zwarte slanke kater, kwam er op zekere dag een mager scharminkeltje mee uit de eetbak eten. Flipke was te vriendelijk en Lucs zus zette een tweede bak en ze nam het beestje mee naar de dierenarts.

Flipke is verleden tijd, het zwervertje werd een wat mollige schattige kater, zonder naam. “Ik zeg gewoon: ‘Poes’ maar ’t is wel een bandiet” zegt Lucs zus terwijl ze hem achter zijn oren kriebelt.

(Lees verder onder de foto)


Even later bewijst hij dat, hij probeert zijn mollige lijf op de kast achter de vaasjes te wurmen. Hij ligt. De vaasjes ook … op de grond.

Ze toont ook haar arm. Tijdens het spelen een paar dagen terug heeft hij in haar elleboog gebeten. Er was zelfs geen wonde te zien, maar nu is haar arm rood van elleboog tot pols. Ze zou die avond -maandagavond- naar de dokter gaan.

Geluk bij een ongeluk, het is enkel de huid die ontstoken is; met wat antibiotica en een zalf zou het moeten genezen.

Het is niet de eerste keer dat we zo een verhaal horen. Ooit is onze toenmalige dierenarts in de kliniek beland na een krabbeke van een kat.

En ook Lucs neef, zoon van zus, heeft zo eens een ontsteking opgelopen met enkele dagen ziekenhuis tot gevolg.

Murphy, de kat van Zoon en Querida is een krabber al is het dan niet om te spelen. Daar zit een draadje los bij dat beest.

Nog een afwezigheidje

Zoals reeds eerder gemeld, hadden we een midweek Zoneke. En deze keer waren het niet enkel Nitro en Murphy op wie te passen viel, er waren een paar beestjes meer die onze zorg en bezorgdheid verdienden.

De paarden staan namelijk sedert het coronabegin ten huize Zoneke al slapen ze er niet binnen, maar in de stal achter het huis. Wij, die niets van paarden kennen behalve dat ze groter zijn dan ik.

Dagen zonder vooropgesteld werkrooster -als gepensioneerde is dat ook thuis al een groot woord- resulteren in uitstapkes naar de frigo en de -goed gevulde- snoepkast. Ik at nog nooit M&M’s salt caramel. Nu was het zakske leeg. En Zoneke had dan ook nog broodjes voorzien.

Dat beloofde voor Baskuul, al stond het geval dat mij ooit met de neus op de feiten duwde rechtop met zijn gezicht tegen de muur, in de hoek als het ware.

Ik nam hem mee naar de badkamer en schrok me de volgende ochtend halfdood. Vier kilo madam! Een halve meter verder was dat al maar tweeënhalf kilo meer en nog wat verder één kilo.

“Leugenaar” siste ik. “Pestkop!” En ik zette hem maar weer in de hoek. Daar hoort hij.

Stopte ik nu met in de kast neuzen? Ah bah neen! Ik vond nog Treetskes en mini marshmellows. Querida is een snoepgat. Ik gelukkig enkel als ik daar ben.

Vertel ik de zaak van de twijfelende weegschaal, zegt Querida: “Ah ja, zo kan je kiezen welk gewicht je het best bevalt”.

De eerste morgen thuis stap ik met een bang hart op Baskuul om er volledig opgelucht terug af te stappen. Vierhonderd gram? Verwaarloorsbaar. Efkes wat opletten en klaar.

Andere bewegingen, andere manier van leven vergt blijkbaar meer brandstof, al werd het echt zwaardere werk ons bespaard. Er kwam dagelijks iemand de stallen doen.

Wil ik nu een paard? Goe zot zeker? Die beesten zijn nog altijd heel groot.

De afvalkoers

Niet dat ik er een gewoonte wil van maken, maar ik wil het toch nog eens over de afgelegde kilometers van de voorbije februarimaand hebben.

Qua beweging kan dat tellen, wetende dat ik in het begin van de maand drie dagen bij Nitro en Murphy was, zonder hometrainer en slecht weer en verder de voorbije maand af en toe ook wel eens weg was. Eigenlijk denk ik dat ik verder wel ongeveer alle dagen iets heb gereden, afhankelijk van waar we waren en wat we deden.

En dat zit nu precies niet goed. Of toch? Ik weet het niet. Afvallen doe je er niet van. Dat is punt één. Afvallen is een kwestie van evenwicht tussen bewegen en eten. Het beste afvalresultaat haal ik als ik niet fiets en mijn gewoon kcal aantal per dag eet. Fietsen? Dan moet er meer gegeten worden en dat is een probleem. Het lijkt nooit genoeg.

Fiets ik, dan blijft het gewicht stabiel, in die mate dat ik er de lintmeter bij haalde. Goed nieuws dus voor als ik ooit mijn streefgewicht zou bereiken. Maar nu? Met de aankomstlijn in zicht?

Ik overweeg om het nog maar eens helemaal om te gooien, om de aanbevolen drie dagen per week volop te gaan fietsen en wat koek en chocolade bij te eten om de rest van de week wat los te rijden en me aan het afvallende aantal kcal te houden.

Goed plan? Zaterdag reed ik niet en zondagochtend waren we weer in vrije val.

Strak plan? Dat zullen we nog zien.

Een zaak van grote ernst

Erg is het gesteld als je een probleem hebt en niet weet dat je een probleem hebt.

Het overkwam me in september.

Eerst tijdens ons verblijf bij Zoneke. Daar realiseerde ik me dat ik mijn ringen -waar ik toen net mijn vingers terug in kreeg- niet zomaar naast mij op het nachtkastje kon leggen, aangezien er geen nachtkastje was. Ze zomaar in een potje stoppen zag ik ook niet zitten, vooral niet voor de puzzelring die nogal snel uit elkaar valt.

Bij ons volgend thuisbezoek nam ik enkele doosjes mee die je bij aankoop van juwelen bij de juwelier krijgt.

Eenmaal in Slovenië vond ik het omslachtig. Ik was geladen aan de dooskes alleen al. Ik googelde op een juwelendoosje voor op reis en vond er bij de amuzerende zon en bij de komende bol. Bij de eerste haalde ik mijn neus op voor de kleuren roze en goud, bij de tweede haalde ik ook mijn neus op, maar voor de prijs. Noteer wel dat ze beide dezelfde reiskoffertjes aanboden.

Ik dacht: “zoiets flans ik toch zelf in elkaar zeker”. Het geluk hielp een handje. Ik vond zo een koffertje in de Kringwinkel, maar kocht het niet. Het was vies en de voorziening voor de ringen was kapot en … afin, er deugde niks meer aan.

Eerlijk gezegd vergat ik het een beetje tot Luc, in een andere Kringwinkel er mee kwam afgestesseld. Het deksel was wat los, maar dat kon ik herstellen. Het deel waar de spiegel in zat was los, dat kon ik plakken. Maar eigenlijk begrijp ik niet goed waarom je in een opbergdoos voor juwelen een spiegel nodig hebt. Het ding kostte 1,5€.

Aan de kassa wou de medewerker die openmaken en ik zei dat hij moest oppassen voor de spiegel, waarop hij voorzichtig -als was het een ei- het doosje openmaakte en zei: “het deksel is ook los”. “Doe maar wat van de prijs” raadde hij de kassierster aan die steigerde. Dan zou haar kassa niet kloppen en zo kon iedereen beginnen.

Ik had niks gevraagd en dat mens bleef maar doorgaan als hadden we haar eigen hele hebben en houden willen roven. “Maar allee” kwam de andere medewerker er tussen “als je die of die code ingeeft, kan dat toch geen kwaad”, waarop het boosaardige wezen sneerde: “zoiets smijt ik weg”.

Dat was er over, dat vond ik een persoonlijke belediging. Ik wou dat doosje om er zelf iets van te maken, daar had dat eigenwijze mens zich niet mee te moeien en ik vreesde al dat ze de daad bij het woord zou voeren en het dooske in de vuilbak zou kiepen.

Ik kreeg het uiteindelijk voor 1€ en zette me aan het denken.

Afgrijselijk mens dat ik ben/was, heb ik toch nog een ring of twee bijgekocht zeker, zodat er ook al geen plaats genoeg was in het dooske. Dus moest ik herbeginnen met denken.

En toe werd het dringend. We zouden weer enkele dagen naar Nitro en Murphy gaan en een midweek Center Parcs zat er ook aan te komen.

Tijd om in actie te schieten.

En toen viel ik stil, deed niks en zijn ondertussen de dagen bij Nitro en Murphy voorbij … en ik denk nog altijd.

Pijnlijk weer

Na ons verheugd te hebben op lange wandelingen met Nitro in de Merodebossen terwijl we hem en Murphy gezelschap houden kregen we een koude douche en hondenweer.

Koude douche in die zin dat we bij het buitenkomen kunnen douchen met onze kleren aan.

Hondenweer in die zin dat de hond voor het venster mistroostig naar buiten zit te kijken.

Waarbij wij allemaal -Murphy uitgezonderd- samen: “Oh! Zut” denken. Katten zijn in die materie nogal onverstoord.

Het hagelde gedorie! Geen dikke bollen maar kleine venijnige kogeltjes geselden al wie en wat zich daarbuiten bevond.

Uiteindelijk hielden hond en kat zich gedeisd in de hoop dat we het wandelen zouden vergeten. Maar eerlijkheidshalve was ik blij dat ze geen vragende partij waren.

De trap is af

De Vlooybergtoren is hersteld en hij is ook al terug ingehuldigd en geopend voor het publiek1.

Volgend jaar, in dit geval volgende maand, als we bij Nitro en Murphy zijn, gaan we hem eens bekijken.

Niet dat we die wandeling willen herdoen, die was ons niet echt bevallen. Aangezien daar -zoals zichtbaar op de foto’s- auto’s geparkeerd stonden, zullen we ons bezoek dan ook beperken tot de toren alleen.

Of we er op gaan klefferen weet ik nog niet. Misschien wel. Indertijd deed ik het, maar die toren wiebelt. Dat is normaal want een te stijve constructie is bouwkundig ook niet aan te bevelen. Wat niet buigt, barst. Maar daarom moet ik nog niet mee gaan wiebelen.

Bovendien weet ik wat er van daarboven te zien is, maar anderzijds …


1 Het Nieuwsblad

Met zicht op …

Waar wij wonen waren wij niet. We waren op ons tijdelijk septemberverblijf, bij Nitro en Murphy.

Toen ik gisterochtend opstond, zag het veld achter Zonekes hof er nogal beneveld uit. “Het is heel wat minder dan toen ik opstond” zei Luc. En even overwoog ik om vanmorgen iets vroeger uit bed te rollen, maar ik wist toen al dat ik kans liep om het slachtoffer te worden van gijzelend beddengoed.

Op de tijd die ik nodig had om het fototoestel te nemen was er alweer een groot gedeelte verdwenen.

En al wonen wij dan nog meer op de boerenstebuiten dan Zoneke, wij hebben zulk uitzicht niet bij het opstaan. Een mens zou eraan gewend geraken.

Het nutteloos tijdverdrijf

Als we ergens naartoe gaan, moeten wij altijd wachten.

Niet omdat zij te laat zijn, maar omdat wij te vroeg zijn.

Dat komt omdat Luc zulk een verschrikkelijke hekel heeft aan te laat komen -nog erger dan ik- dat hij altijd extra tijd incalculeert voor het geval we onderweg met obstakels en opstoppingen te maken zouden krijgen.

Eén van de paragrafen van de wet van Murphy zegt, volgens mij dan toch, dat als je te vroeg vertrekt alles zo vlot verloopt zoals je het eigenlijk altijd zou wensen en dat in tegenstelling tot wanneer je op tijd vertrekt. Dan kom je waarschijnlijk in een file terecht of de obligate vuilkar gaat voor je uit rijden, de oogstbinnenhalende tractoren houden processie of wie weet wat nog al meer.

Page 1 of 5

Powered by WordPress & Theme by Anders Norén