Op een vroege woensdagochtend liep ik over de palier naar de badkamer, stak het licht aan en hoorde iets tegen de badkamervenster ploppen.
Ik keek en zag een reusachtig silhouet van een wesp omhoog kruipen, terwijl een spin daar buiten zich in zeven haasten naar de hoek van de ruit repte en zich zo klein mogelijk maakte.
Het was nog zeer vroeg, ik was nog niet zo goed wakker, kreeg niet zo onmiddellijk mijn telefoon in de aanslag, maar ik moest niet panikeren.
Dat beest heeft tot minstens vier keer toe in het web van die spin gehangen en zich los getrokken met telkens een nieuwe poging om boven te geraken.
Eén keer heeft de spin gedacht: “Aha! Ik heb hem”. Ze kwam haar web afgedaald, of tenminste wat er denkelijk nog van over was, want zien deed ik dat web niet, zo tegen het licht in.
Maar dat beest trok zich terug los en trachtte die spin te bereiken. Die was in zeven haasten terug naar boven gecrost en had zich weer verschanst daar ergens aan de buitenkant.
Wat zei ik tegen Luc toen we wakker waren? Dat hij moest oppassen bij het snoeien van de klimop, want ik vrees dat dat een hoornaar was, rekening houdend met de grootte van dat beest als je de schaduw van mijn telefoon er naast ziet.



