En dan zijn wij, gemoedelijk rijdend, onderweg naar huis als Luc vraagt wat we gaan eten. Warm eten, wel te verstaan. Dat hij dat vraagt heeft een bepaalde bedoeling, dat wel. We rijden namelijk, onderweg naar huis, een bekend hamburgerrestaurant voorbij.

Mja, zo af en toe kan dat wel een keer en we rijden de parking op. We stappen uit en ik open de zijdeur aan de passagierskant, als daar een furie komt aangestormd, nog erger dan de knijpende gans, die zegt tegen Luc, op agressieve toon, met zeer veel decibels, aangezien ik haar tot aan de andere zijde van de auto versta:

Wilde gij eens uit mijnen auto blijven!

Luc staat op dat moment achter onze auto aan de koffer en ik vraag me af of ik wel goed verstaan heb.

Maar dan ziet ze mij door de ruiten van onze auto staan en zie ik haar weifelend gezicht en hoor haar iets mompelen van: “waar is de mijne dan?”

Eer wij ons goed en wel realiseren wat er pas gebeurd is, is de furie alweer weggestormd en bekijken wij elkaar met een blik van: “Wat was dat nu?”

Volgens Luc had ze, -volledigheidshalve- gezegd:

Hallo! … ! Excuseer! … ! Wilde gij eens uit mijnen auto blijven!

En nog volgens Luc had hij, na haar uithaal, een stap achteruit gezet en ostentatief naar de nummerplaat van onze auto gekeken. En hij dacht dat dàt de oorzaak van haar twijfelen was. Het zal wel een samenloop van de twee geweest zijn. Feit is, dat geen van ons beiden, een woord heeft gezegd.

“En zich dan nog niet excuseren” zei ik. Waarop Luc antwoordde: “Jawel. Ze heeft sorry gezegd”.

“Dat is niet zich excuseren” beweerde ik en dàt zal ik blijven beweren. Want als je voor een hele parking iemand er van beschuldigt in je auto in te breken, moeten de excuses ook voor de hele parking hoorbaar zijn, inclusief voor die met haar slechte oren.